Nog niet zo lang geleden waren sinaasappelen en sinaasappelsap seizoengebonden luxeproducten. Dat ging door totdat de Amerikaanse regering in de Tweede Wereldoorlog wetenschappers opdroeg een methode te ontwikkelen om de houdbaarheid van sap te verlengen. Drie onderzoekers van de Florida Citrus Commission ontdekten in 1945 dat sinaasappelsap bij hoge temperatuur geconcentreerd kan worden en vacuüm verpakt. Dit proces ging helaas ten koste van de smaak, maar die kon verbeterd worden door vlak voor het verpakken nog een beetje vers sap toe te voegen. Voortaan kon sinaasappelsap diepgevroren worden bewaard en relatief eenvoudig worden vervoerd naar de jongens die aan andere kant van de oceaan voor de vrijheid vochten. Nog steeds drinken we massaal honderd procent puur sinaasappelsap 'uit geconcentreerd sap' (bron: www.floridajuice.com).
Verbeterde koeltechnieken hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan de mogelijkheden voedsel langer te bewaren. De landbouwwetenschap heeft bovendien steeds nieuwe methoden ontwikkeld om het rijpingsproces van groente en fruit zó te beïnvloeden, dat ook na het oogsten het rijpen nog doorgaat. Ook andere technologische snufjes - variërend van betere verpakkingen tot genetische manipulatie - hebben bijgedragen aan een langere houdbaarheid van etenswaren.
Daarnaast zijn de kosten van transport de afgelopen twintig jaar fors gedaald. Vervoer per vliegtuig is nu vijftig procent goedkoper dan twintig jaar geleden, per schip zelfs zeventig procent. Door de mondialisering van de levensmiddelenindustrie kunnen we tegenwoordig beschikken over 'elk eten, op elk moment, op elke plaats', schrijft Brian Halweil in de studie Home Grown van het Worldwatch Institute, een Amerikaanse organisatie voor sociaal en ecologisch onderzoek. En dat ook nog eens tegen de laagst mogelijke prijs. Volgens veel economen is het grote voordeel van de internationale marktwerking dat door concurrentie de prijzen van landbouwproducten blijven dalen.
Het gevolg is dat we steeds vaker en steeds verder met onze levensmiddelen slepen. Groente, vlees, fruit en aardappelen leggen tegenwoordig gemiddeld drie- tot vierduizend kilometer af voordat ze worden gegeten. Dat is anderhalf keer zoveel als twintig jaar geleden.
Grote supermarktketens spelen daarbij een belangrijke rol. Zij willen voorkomen dat hun klanten niet voor een al te grote smaakverrassing komen te staan en egaliseren de smaak door producten bij elkaar te brengen uit verschillende landen. Daarnaast combineert men vaak ook uit verschillende oogstperiodes. Zo worden zure en zoete uitersten vermeden en smaakt het
sinaasappelsap het hele jaar door hetzelfde. Niemand hoeft verbaasd te zijn om op een fles appelsap van het merk Tropicana te lezen 'bevat concentraat uit Duitsland, Oostenrijk, Italië, Hongarije, Argentinië, Chili, Turkije, Brazilië, China en de VS'. De samenstelling van het sap kan zo continu aangepast worden aan de beschikbare grondstoffen.
Het streven van de supermarkt naar een centrale distributie, meestal in verband met een centrale kwaliteitscontrole, kan leiden tot absurde situaties. Zo heeft de Amerikaanse supermarktketen Safeway de distributie geconcentreerd in Maryland. In Georgia verbouwde sla reist eerst duizend kilometer naar Maryland, voordat die opnieuw duizend kilometer aflegt naar de schappen van een Safeway-supermarkt in Georgia. In de tussentijd is de sla wel minder vers en kan er van alles mee gebeuren.
Milieugroepen hebben er vaak op gewezen dat de prijzen van voedsel
kunstmatig laag zijn. Hoe is het mogelijk dat een Argentijnse appel nauwelijks duurder is dan een appel van vergelijkbare kwaliteit uit eigen land? Dat kan alleen als de kosten van de energie, om de appel op te slaan en te vervoeren, en de kosten voor het bestrijden van de vervuiling die daarbij ontstaat, niet in de prijs zijn doorberekend. Ook is er geen BTW op transportkosten, geen accijns op kerosine en geen doorberekening van filekosten. Veertig procent van alle vrachtwagentransporten in Groot-Brittannië betreft levensmiddelen.
Een gemiddelde warme maaltijd met geïmporteerde ingrediënten kost vier tot zeventien keer zoveel brandstof (en levert dus vier tot zeventien keer zoveel broeikasgassen) als een vergelijkbare maaltijd met ingrediënten uit de eigen omgeving. 'We besteden veel meer energie om het eten op tafel te krijgen dan
we krijgen uit het eten zelf', aldus Halweil.